Blog - MentoCure
17075
page-template,page-template-blog-gallery,page-template-blog-gallery-php,page,page-id-17075,cookies-not-set,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-10.0,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive

Blog

Artikel 1:431 BW en de blijvende noodzaak van beschermingsbewindvoering

Inleiding

Voor de invoering van artikel 1:431 in het Burgerlijk Wetboek had de rechter enkel de mogelijkheid om de maatregel curatele uit te spreken. Wanneer de maatregel tot curatele werd uitgesproken werd men als volledig handelingsonbekwaam aangemerkt. Dit was een zeer verregaande maatregel en mede om deze reden is er in 1981 een nieuw artikel opgenomen in artikel 431 van boek 1 van ons Nederlands Burgerlijk wetboek. Met de invoering van het artikel waarin de maatregel beschermingsbewindvoering werd beschreven werd voldaan aan de groeiende behoefte naar een minder verstrekkende maatregel van de curatele.[1] Met invoering van de maatregel beschermingsbewindvoering werd het mogelijk om het vermogen van de persoon te beschermen maar de onderbewindgestelde wel zelf handelingsbekwaam bleef. Men werd niet handelingsonbekwaam maar met betrekking tot het gebied van het vermogen werd men handelingsonbevoegd.  Deze handelingsonbevoegdheid was veel minder verstrekkend dan volledige handelingsonbekwaamheid van de persoon.

In het eerste lid van artikel 1:431 BW wordt omschreven wie in aanmerking komt voor onderbewindstelling:

Lid 1.

Indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,
kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die behoren tot zijn huwelijksgemeenschap of gemeenschap van geregistreerd partnerschap en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot dan wel geregistreerd partner staan.

In lid 2 is de toekomstige situatie afgebakend in het geval de persoon nog minderjarig is maar er al te voorzien is dat men bewindvoering nodig heeft tijdens de dag dat de persoon meerderjarigheid bereikt:

Lid 2.

Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het vorige lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld.

In lid 3 wordt er met de mogelijkheid rekening gehouden in het geval men zich op dat moment nog niet in de situatie bevindt, zoals genoemd in lid 1 onder sub a en b, maar er wel te verwachten is dat men in die toestand zal gaan verkeren:

Lid 3.

Het bewind kan eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat de rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

In lid 4 wordt behandeld welke rechter competent is om het verzoekschrift onderbewindstelling te behandelen. Concreet bespreekt de wet hier welke rechter over het verzoekschrift van de onderbewindstelling kennis mag nemen.

Lid 4.

De rechter bij wie een verzoek tot het verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet aanhangig is, is tevens bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot instelling van het bewind.

De noodzaak van het beschermingsbewind lijkt daarmee te liggen in de situatie dat men tijdelijk of duurzaam niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Maar welk toetsingscriteria hanteert de rechter in hoeverre de maatregel van beschermingsbewindvoering nog passend is?

In de uitspraak van het hof Arnhem- leeuwarden verzocht de onderbewindgestelde om opheffing van bewindvoering en stelde voor om in de toekomst enkel via budgetbeheer zijn zaken te behartigen.[2] De onderbewindgestelde had in deze casus forse problematische schulden.

De rechter bepaalde in dit specifieke geval dat er in ieder geval een noodzaak tot voortzetting van de onderbewindstelling wanneer:

1. De onderbewindgestelde al jaren forse problematische schulden heeft;

2. er al langdurig beslag ligt op het inkomen;

3. en geen concrete andere oplossing is voor zijn schulden of een ander goed uitgewerkt plan wordt gepresenteerd om zijn schulden te verminderen.

De noodzaak tot onderbewindstelling blijft bestaan.

Of de onderbewindgestelde in dit arrest in aanmerking komt voor budgetbeheer is geoordeeld of de onderbewindgestelde de schuldenlast op een andere manier zou kunnen oplossen. De rechter heeft hierbij de hoogte van de schuldenlast, het inkomen, de bescherming van de beslagvrije voet na einde bewind en het feit dat hij niet eerder in aanmerking kwam voor de wettelijke schuldsanering meegenomen in zijn beoordeling. De rechter concludeerde hier dat er op dit moment geen andere oplossing bestond dan bewindvoering om de schulden op te kunnen lossen.

In een arrest van hof ’s-Hertogenbosch was er sprake van een onderbewindgestelde die wegens zijn geestelijke toestand niet in staat was om zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen en om deze reden was onderbewindstelling in eerste instantie toegekend. Hier werd bepaald dat de noodzaak van onderbewindstelling tevens blijft bestaan wanneer men verzoekt om opheffing van het bewind maar de geestelijke toestand van de onderbewindgestelde nog niet is verbeterd. Het enkel stellen dat het beter gaat is onvoldoende en de stelling dient in ieder geval voldoende onderbouwd te worden zodat de rechtbank kan beoordelen of er sprake is van een verbeterde situatie.[3] Naast de geestelijke toestand van de onderbewindgestelde werd hierbij ook meegenomen dat er tevens nog sprake was van een aanzienlijke schuldenlast en ook hier geen concreet plan van aanpak was om de schulden op een andere manier dan bewindvoering op te lossen. Concreet werd getoetst of de oorzaken die in het verleden aanleiding gaven om over te gaan tot de maatregel van beschermingsbewindvoering nog steeds bestonden.

Conclusie

Door invoering van artikel 1:431 kan geconcludeerd worden dat door invoering van deze bepaling meer maatwerk mogelijk werd voor de kantonrechter in situaties waarbij minder verstrekkende maatregelen van toepassing zijn dan bij de situatie waar een curatele noodzakelijk is. De rechter kijkt bij de noodzaak van de maatregel onderbewindstelling of de oorzaken die in het verleden aanleiding hebben gegeven tot het uitspreken van de maatregel nog steeds bestaat op het moment dat er wordt verzocht om opheffing van de maatregel. [4] Hierbij worden eventuele schulden, of er beslag ligt op het inkomen en of er een andere concrete oplossing voor schulden aanwezig is meegenomen. [5] Beschermingsbewindvoering omzetten in budgetbeheer is in ieder geval onmogelijk wanneer men eerder niet in aanmerking is gekomen voor wettelijke schuldsanering, het inkomen laag is, er sprake is van een schuldenlast en de beslagvrije voet niet beschermd lijkt te worden na einde van de bewindvoering. [6]

Mevrouw Mr. A. J. Kleijn, 21 oktober 2019



[1] Kamerstukken II 1978/79, 15 350, nr.3, p. 10.

[2] Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1036.

[3] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3130.

[4]  Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3130.

[5] Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1036

[6] Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1036